Limburgse Kastelen

Wijziging Monumentenwet per 1 januari 2009

8 januari 2009

Met ingang van 1 januari 2009 is de Monumentenwet op onderdelen gewijzigd.
Deze wijziging heeft met name betrekking op:
1. de inperking van de gevallen waarin de minister nog advies dient uit te brengen aan burgemeester en wethouders over de aanvraag om een monumentenvergunning,

2. de wijziging van de provinciale adviesplicht buiten de bebouwde kom in een adviesrecht, en

3. op de inperking van de gebouwen waarvoor door belanghebbenden bescherming kan worden gevraagd tot de periode vanaf 1 januari 1940. Voor bouwkunst ouder dan 1 januari 1940 is dit wettelijk niet meer mogelijk. Wel kan de minister nog ambtshalve tot aanwijzing overgaan.


Sedert 21 april 2008 was het zogenoemde interim-beleid omtrent de inperking van de ministeriële adviesplicht van kracht. Inmiddels is dit interim-beleid omgezet in regulier beleid. Dit heeft plaatsgevonden in de vorm van een formele wijziging van de Monumentenwet 1988 per 1 januari 2009. Deze wetswijziging is gepubliceerd in het Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, jaargang 2008, nr. 563. In de Staatscourant 2008 nr. 2667 d.d. 30 december 2008 is de Regeling ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een monumentenvergunning gepubliceerd.

Wat betekent dit concreet?
1. Artikel 16 van de Monumentenwet regelt van oudsher de adviesprocedure van de minister en gedeputeerde staten in de gevallen waarin burgemeester en wethouders over de gevraagde monumentenvergunning beslissen. In de nieuwe wettekst wordt in artikel 16 lid 1 bepaald dat de gevallen waarin burgemeester en wethouders gehouden zijn een vergunningaanvraag om advies voor te leggen aan de minister bij ministeriële regeling worden bepaald (zie hieronder). Verder wordt aangegeven dat het hierbij onder meer kan gaan om het afbreken van een beschermd monument, het reconstrueren van een beschermd monument en het geven van een nieuwe bestemming aan een beschermd monument.
In de wettekst blijft de verplichting ongewijzigd om vergunningaanvragen voor beschermde monumenten buiten de bebouwde kom in afschrift naar gedeputeerde staten te sturen. Nieuw is echter, dat het gedeputeerde staten zelf kunnen bepalen of (danwel in welke gevallen) zij van hun adviesrecht gebruik maken. De verwachting is dat de provincie Limburg hierover nadere beleidsuitgangspunten zal formuleren.
Tenslotte is er sprake van een verkorting van de termijn waarin de minister en gedeputeerde staten het door burgemeester en wethouders gevraagde advies uit dienen te brengen, en wel tot twee maanden.

2. De mogelijkheid van derden om de Minister te verzoeken om aanwijzing van onroerende monumenten als beschermd monument is beperkt tot bouwwerken uit de periode vanaf 1 januari 1940;

3. In het kader van een procedure tot aanwijzing als beschermd monument vervalt de verplichting van de minister om zijn adviesaanvraag aan de gemeenteraad en/of gedeputeerde staten ter kennis te brengen van (een) eventuele hypothecaire schuldeiser(s).

4. De nieuwe wet stelt eisen aan de samenstelling van de gemeentelijke monumentencommissie. Hierin mogen geen leden van het college van burgemeester en wethouders zitting hebben. Binnen de commissie dienen enkele leden deskundig te zijn op het gebied van de monumentenzorg.

5. De wettelijke bepaling dat de minister over vergunningaanvragen beslist in gevallen waarin een geldende gemeentelijke monumentenverordening ontbreekt, is met ingang van 1 januari 2009 komen te vervallen. Gemeenten worden geacht over een dergelijke verordening te beschikken.

Let op: deze inperking van de ministeriële adviesplicht heeft alleen betrekking op gebouwde rijksmonumenten, niet op archeologische monumenten of gebouwde monumenten die in gebruik zijn bij de minister van Defensie en een militaire bestemming hebben. Bij deze monumenten beslissen niet burgemeester en wethouders over een aanvraag om monumentenvergunning, maa blijft de minister van OCenW dit ongewijzigd zelf doen.

De nieuwe tekst van de Monumentenwet per 1 januari 2009 kunt u raadplegen via de eerste van onderstaande links.

De nieuwe Monumentenwet regelt dus dat de gevallen waarin burgemeester en wethouders gehouden zijn een vergunningaanvraag om advies voor te leggen aan de minister bij ministeriële regeling worden bepaald.
Deze ministeriële regeling is op 30 december 2008 onder nummer 2667 in de Staatscourant gepubliceerd. Artikel 2 van deze regeling geeft aan in welke gevallen burgemeester en wethouders gehouden zijn de minister om een advies te vragen alvorens zij een besluit nemen over de aanvraag voor een monumentenvergunning. Te weten:

a. bij een aanvraag voor het afbreken van een beschermd monument of een deel daarvan (voor zover van ingrijpende aard);

b. bij een aanvraag voor het ingrijpend wijzigen van een beschermd monument of een belangrijk deel daarvan, voor zover de gevolgen voor de waarde van het beschermde monument vergelijkbaar zijn met de gevolgen van het geval, bedoeld in onderdeel a;

c. bij een aanvraag voor het reconstrueren van een beschermd monument of een belangrijk deel daarvan, waarbij de staat van het monument wordt teruggebracht naar een eerdere staat of een veronderstelde eerdere staat van dat monument;

d. bij het geven van een nieuwe bestemming aan een beschermd monument of een belangrijk deel daarvan.

In de toelichting bij deze regeling wordt met voorbeelden uitvoerig ingegaan op hetgeen met deze vier gevallen wordt bedoeld. De tekst van de ministeriële regeling is te vinden in genoemde Staatscourant én via de tweede van onderstaande links.

Vragen?
Voor verdere vragen kunt u terecht bij de InfoDesk RACM, 033-4217456, info@racm.nl