|
Terugblik op kastelenexcursie 2008 Theo Oberndorff 22-09-08 Op zaterdag 20 september jl. heeft de Stichting Limburgse Kastelen de Kastelenexcursie 2008.
De deelnemers kunnen terugzien op een geslaagde dag met prima weersomstandigheden!
Deelnemers en geïnteresseerden kunnen de brochuretekst van deze dag nogmaals raadplegen.
KASTELENDAG
20 SEPTEMBER 2008
GROOT BUGGENUM
HUYS KESSEL
HUIS TEN HOVE
STICHTING LIMBURGSE KASTELEN
Programma
10.00 uur Aankomst Intercity in Roermond
10.15 uur Vertrek per bus vanaf Stationsplein in Roermond
10.30 uur Aankomst Kasteel Groot Buggenum in Grathem voor
ontvangst met koffie en vlaai en mogelijkheid tot bezichtiging van kasteel en tuin
12.00 uur Vertrek
12.30 uur Aankomst in Kessel - rondleiding door gidsen bij de kasteelruïne De Keverberg/Huys Kessel
13.45 uur Bezoek Hostellerie De Neerhof voor een lunch buffet
14.45 uur Vertrek naar Grathem
15.30 uur Aankomst Huis Ten Hove met bezichtiging van tuin en deel interieur. Rondleiding door de eigenaar
16.45 uur Vertrek naar station Roermond
Elk half uur Vertrek trein richting Maastricht, Eindhoven en Venlo
Voorwoord door de voorzitter
Focus op geschiedenis is ook focus op kastelen en ….omgekeerd
De belangstelling voor geschiedenis is ‘booming’ in Nederland. In samenhang met soms heftige discussies over onze nationale identiteit ijveren overheden voor het opstellen van nationale, provinciale en lokale canons. Er worden voorbereidingen getroffen voor de realisering van een Nationaal Historisch Museum en het begrip ‘çulturele biografie’ is gemeengoed geworden. Sommige sociaal-culturele beschouwers zien het als een reactie op de globalisering en spreken in dat verband over glocalisering. Om te voorkomen dat men een machteloze speelbal wordt van mondiale processen en structuren, zouden mensen houvast zoeken in de eigen overzienbare omgeving en geschiedenis. Mij lijkt de combinatie denkbaar en leefbaar: wereldburger in Schietecoven.
Het spreekt voor zich dat deze tendensen hun weerslag hebben op het werk van de Stichting Limburgse Kastelen. Kastelen zijn nu eenmaal robuuste en markante getuigen van de geschiedenis van de bodem waarin hun fundamenten gegrondvest zijn. Daarom wil onze stichting graag aanhaken bij de toegenomen belangstelling van ons erfgoed. Naast de bouwkundige-architectonische invalshoek, wordt in toenemende mate aandacht besteed aan de cultuurhistorische context en de landschappelijke omgeving. Het lopende project Kasteeldomeinen van onze stichting getuigt daarvan, evenals het plaatsen van ANWB informatieborden bij een aantal kastelen. Toen dat op 22 augustus jongstleden plaatsvond bij kasteel Terworm heeft dat geleid tot grote aandacht bij de regionale televisie. Overwogen wordt om ook de schijnwerpers te richten op de interieurs. In algemene zin bevinden we ons in een passend tijdsgewricht om onze positie in het veld van monumenten en historie opnieuw te markeren. Ons bestuur heeft daartoe op 9 september jongstleden de actualisering van het beleidsplan van de stichting besproken.
Maar voor dat alles hebben we een breed maatschappelijk draagvlak en zeker ook de steun van donateurs en begunstigers nodig. Wij zijn u voor deze royale en voortdurende steun dankbaar. Deze dank willen wij onder andere wederom tot uitdrukking brengen met de organisatie van de Kastelendag, die ons dit jaar naar Midden-Limburg voert. Wij hebben een interessant programma voor u voorbereid, dat ons ondermeer voert naar Groot-Buggenum, een kasteel dat de provincie Limburg ooit voor 1 gulden mocht aankopen. Als toenmalig lid van Gedeputeerde Staten heb ik met die aankoop ingestemd en nu mag ik er samen met u als uw voorzitter koffie en vlaai nuttigen. De geschiedenis blijft ons verwonderen. Ik wens u een fijne dag toe.
Ger Kockelkorn
GROOT BUGGENUM
Groot Buggenum, in de 14e eeuw aangeduid als Buggenum, werd ook Oud Buggenum, Meersen of Kerksken Castel genoemd naar de vroegere eigenaren Van Meersen en van Kerkhem. Een relatie met het in 1230 voor het eerst vermelde, maar duidelijke oudere dorp Buggenum is niet aan te geven. Groot Buggenum is gelegen ten zuidwesten van het dorp Grathem op de zuidelijke oever van de Uffelsche Beek, aan de rand van een groot akkercomplex.
Eigendoms- en bewoningsgeschiedenis
Klaarheid over de geschiedenis van het kasteel komt er pas vanaf het begin van de 15e eeuw. In 1423 werd Johan de Wilde van Meersen, die schout was van Roermond, door Willem van Horne beleend met het ‘leen tot Buckinge’, waarmee Groot Buggenum is bedoeld. Een Dederick de Wilde van Meersen, die van 1404 tot 1414 schout van Roermond en eigenaar van De Thooren in Maasniel was, werd in 1399 al als leenman van Horne genoemd en zal zijn vader kunnen zijn geweest. Reeds in 1355 vindt men een Johan de Wilde als richter of schout van Roermond genoemd. De Van Meersens waren in de 14e en 15e eeuw schout van Roermond. Bij de erfdeling tussen Jacob van Meersen en zijn zusters in 1496 kreeg Jacob het huis Bockynghen met rechten op visserij en jacht en met de laten (onvrije boeren) op de nabijgelegen hoeve De Ryt.
Tot in het begin van de 17e eeuw bleef het geslacht Van Meersen eigenaar van het kasteel. Door het huwelijk van Josina van Meersen met Philippe Winand van Kerkhem kwam het kasteel in handen van een nieuw geslacht. De Van Kerkhems, die in 1639 in de adelstand waren verheven, zouden tot in de tweede helft van de 18e eeuw de bezitters en bewoners van Groot Buggenum blijven. Hans Willem van Kerkhem (1660-1710) kreeg als minderjarige in 1677 nog bij leven van zijn grootvader Groot Buggenum toebedeeld. Bij het meerderjarig worden werd hij lid van de ridderschap van Luik en Loon en in 1691 huwde hij met Anna Barbera van Gulpen tot Bombaye. Zij moeten het kasteel rond 1700 hebben laten verbouwen getuige een hardstenen tympaanvulling met hun alliantiewapen. Hun zoon Jan Willem erfde van zijn vader de Hornse lenen Buggenum of Mersen met de boerderij en de sinds 1512 daartoe behorende laathof te Ass. Ook bezat hij de heerlijkheid Grathem. Van moederszijde zou hij bovendien de kastelen Berneau en Bombaye erven. Jan Willem, die in 1733 de graventitel verwierf, overleed in 1769 en werd in de kerk van Grathem begraven. Evenals zijn vader had hij de nodige bouwwerkzaamheden aan het kasteel laten uitvoeren, waaronder de aanleg in 1745 van tuinen met stervormige padenpatronen ten westen van het kasteel.
Na het kinderloze overlijden van Jan Willem van Kerkhem in 1769 vererfde het kasteel op Jean Guillaume Michel Pascal comte de Borchgrave Altena, een kleinzoon van Jan Willems oudste zuster. Hij erfde van zijn ouders ook het huis Exaten. Huis Buggenum werd niet bewoond maar verhuurd, zoals in 1783 aan de baron van Bylandt tot Melden. In 1796 werd het door een brand verwoest.
Het kasteel werd waarschijnlijk gedeeltelijk opnieuw opgebouwd, aangezien bekend is dat het in de 19e eeuw werd verhuurd en deels werd gebruikt voor de stalling van vee. In 1880 verkocht Theodore Maurice Constantin Charles de Geloes, een kleinzoon van Jean Guillaume, het kasteel en de bijbehorende goederen ter grootte van 74 hectare. Koper was Willem Verbrugge, een uit Grathem afkomstige boterhandelaar te Luik. Hij liet vrijwel alles afbreken en, met behoud van de 16e- of 17e-eeuwse noordwesttoren, een neogotisch jachtslot bouwen.
Na zijn dochter Leonie en haar man zijn er nog diverse particuliere eigenaren geweest. De voorlaatste was professor Helmuth Hentrich, architect en kunstverzamelaar uit Düsseldorf, die eerst het kasteel op kleinere schaal liet herstellen en het daarna voor één gulden aan de provincie Limburg overdroeg om het huis voor de toekomst te bewaren.
Bouwgeschiedenis
De eerste schriftelijke bronnen met verwijzing naar Groot-Buggenum dateren uit de 15e eeuw, maar over de verschijningsvorm van het kasteel kan weinig worden gezegd. Getuige een jaartalsteen met het jaartal 1600 zou het kasteel in dat jaar verbouwd of uitgebreid kunnen zijn. Er wordt verondersteld dat de huidige toren de oorspronkelijke noordwesttoren van het kasteelcomplex was.
Getuige de oudste kadasterkaart van 1817 bestond het kasteel uit een carrévorm waarvan de oostvleugel deels geopend was. De forse hoofdvleugel aan de westzijde had een afmeting van 42 x 12 meter en werd aan weerszijden geflankeerd door uitspringende hoektorens. Hierop sloot de dienstvleugel van 32 x 8 meter aan waarin, getuige een 18e-eeuwse boedelinventaris, een remise en vervolgens het brouwhuis, de prinsenstal en de paardenstallen waren ondergebracht. In de andere vleugel aan de overzijde van het plein lagen de keukens en de personeelsvertrekken. Op de bel-etage in de hoofdvleugel lagen in de 18e eeuw aan de ene zijde de grote zaal met kabinet, kamer, salet met schilderijen en de stenenkamer (overwelfde torenkamer?). Aan de andere zijde waren een gang, de bibliotheek, de kapel en ten slotte de torenkamer te vinden. Op de verdieping lagen de groene en blauwe slaapkamer, de ontvangstkamer, een grote groene kamer met een kabinet, en verder de linnenkamer en een kamer voor de huiskapelaan. Gezien de indeling zou dit imposante complex, dat het gehele huidige omgrachte eiland innam, omstreeks 1700 of misschien al kort na hun huwelijk in 1691 in opdracht van Hans Willem van Kerkhem en zijn vrouw zijn gebouwd of verbouwd, waaraan de bewaard gebleven tympaanvulling met hun alliantiewapen nog herinnerde.
Rondom het kasteel was in de 18e eeuw een dubbel grachtenstelsel aangelegd met een directe verbinding naar de nabijgelegen Uffelsche beek. De toegang tot het binnenplein bevond zich in het midden van de oostzijde, waar in de eerste helft van de 19e eeuw nog een groot voorplein lag dat de noordzijde was afgesloten door een schuur of boerderij. Achter het kasteel werden in 1748 tuinen met stervormige padenpatronen aangelegd. Nadat kasteel Groot-Buggenum in 1796 door brand was verwoest, werd het waarschijnlijk wel provisorisch hersteld, aangezien het in de 19e eeuw deels werd verhuurd voor bewoning en deels gebruikt voor de stalling van vee.
Toen Willem Verbruggen de ruïne in 1880 kocht, liet hij op de noordwesthoek van het kasteel een nieuw neogotisch jachtslot naar ontwerp van E. Corbeij bouwen, waarin blijkbaar de noordwestelijke toren werd opgenomen. Bij oorlogshandelingen in 1944 werd het ‘kasteel’ zwaar beschadigd en raakte daarna steeds verder vervallen. In de jaren zeventig van de 20e eeuw werd het grondig gerestaureerd in opdracht van de architect-eigenaar en in oude trant ingericht.
Literatuur:
Hentrich, H. en H.J. Dressel, Kasteel Groot Buggenum, een biografie van een huis (Keulen 1992)
HUYS KESSEL
Het kasteel van Kessel, dat ook Keverberg wordt genoemd naar de familie die het kasteel in de 19e eeuw bewoonde, is gelegen op de westelijke oeverwal van de Maas. Bij het kasteel hoorde het omgrachte dorpje Kessel, waarvan de kerk direct ten zuiden van het kasteel is gesitueerd. Het marktplein, dat een planmatige indruk maakt, ligt met de dorpsbebouwing ten noorden van het kasteel. Belangrijk voor kasteel en dorp was de Maastol. Vanwege de strategische positie werd het kasteel in 1944 door de Duitsers opgeblazen.
Eigendoms- en bewoningsgeschiedenis
Stichters van het kasteel waren de graven van Kessel, die voor het eerst rond 1070 in de bronnen voorkomen. Dit waren zeer belangrijke heren, die later op voet van gelijkheid met de graven van Gulik en van Gelder verkeerden en vaak in contact stonden met de aartsbisschop van Keulen. Graaf Hendrik II is vermoedelijk verantwoordelijk geweest voor de huidige motte met de nog bestaande ringmuur.
Vermoedelijk wegens schulden moest de laatste graaf van Kessel, Hendrik V, in 1279 zijn bezittingen overdragen aan graaf Reinald I van Gelre. Na de overdracht stelden de Gelderse graven Godefridus Berch (of Berth/Birth) aan als hun kastelein. Mogelijk was hij ook al kasteelheer geweest onder de laatste graaf van Kessel. Berch werd kastelein met het recht zijn positie te laten overgaan op een van zijn zonen. Of hij ook daadwerkelijk door zijn nazaten is opgevolgd, is onduidelijk. In 1338 werd Mat(t)hijs van Kessel aangesteld als nieuwe kastelein van Kessel. Hij was een vertrouweling van de graaf (vanaf 1339 hertog) van Gelre en kreeg van hem meerdere goederen en rechten in de omgeving van Kessel. Mathijs is opgevolgd
door zijn zoon Johan, die vermoedelijk kinderloos bleef. In 1404 droeg hij daarom zijn kasteleinschap over aan zijn neef Willem van Kessel Mathijszoon. Zeven jaar later trouwde deze met Gerarda van Broekhuizen, dochter uit een aanzienlijk geslacht. Het echtpaar wist in de loop van de tijd de rechten op het Kesselse veer in handen te krijgen. In 1451 erfde Gerarda het ambtmanschap van Kessel en de daaraan verbonden halve heerlijkheid van Horst van haar overleden broer Johan van Broekhuizen. Hertog Arnold van Gelre noch een van zijn opvolgers heeft deze overdracht echter willen erkennen en de Van Kessels hebben deze functie daarom nooit uitgeoefend. Tot 1541 zijn ze tevergeefs blijven proberen deze rechten bevestigd te krijgen of door verkoop te gelde te maken.
Willem I van Kessel werd opgevolgd door zijn zoon Johan en later diens jongere broer Mathijs, van wie één wettige zoon bekend is. Deze Willem II van Kessel huwde omstreeks 1516 Anna van Barrick (Barich) en werd in 1527 met de burcht beleend. Het huwelijk bleef kinderloos. Na zijn dood kwam het kasteel in het bezit van zijn neef Caspar van Merwijck. Waarschijnlijk door oorlogshandelingen werd het kasteel aan het eind van de 16e eeuw door brand verwoest waarna herstel volgde.
Ruim tweeënhalve eeuw zijn de Van Merwijcks kasteelheren gebleven. In 1673 kochten ze de heerlijke rechten van het dorp Kessel van de Spaanse koning. Bij de Vrede van Utrecht in 1713, als afsluiting van de Spaanse Successieoorlog, werd Kessel echter toegewezen aan Pruisen.
Toen Willem Antoon Matthijs van Merwijck in 1798 kinderloos stierf, kwam het kasteel met de bijbehorende landerijen in handen van zijn neef Karel Emanuel Caspar Joseph van Keverberg, zoon van zijn zuster Judith. Deze was tevens eigenaar van kasteel Aldenghoor te Haelen en lid van de ridderschap van het Overkwartier. Aan de nieuwe eigenaren dankte het slot de naam Keverberg, die er sindsdien ook wel aan werd gegeven. Toen hun kleinzoon Karel George Clemens Joseph baron van Keverberg van Aldenghoir in 1903 als laatste van zijn geslacht stierf, liet hij de burcht en bijgebouwen per legaat na aan de zusters van de Congregatie van de Goddelijke Voorzienigheid, die het reeds sinds 1880 pachtten. Zij hadden er een meisjespensionaat. In november 1944 brachten Duitse troepen er springladingen tot ontploffing waardoor enorme schade ontstond. Na de oorlog bleek herbouw voor de Congregatie niet haalbaar. Om het complex te redden van de sloop kocht de gemeente Kessel het begin jaren vijftig en liet de ruïne consolideren.
Bouwgeschiedenis
Tijdens opgravingen in de burcht van Kessel bleek dat de huidige motte niet de oudste fase was van het kasteel. In het heuvellichaam bevond zich een forse zaaltoren met buitenwerkse afmetingen van 14 x 16 meter. De toren bezat muren van 2 meter dikte die waren opgebouwd uit breuksteen en Romeins sloopmateriaal. De zaaltoren zal door een ringmuur, een wal en een gracht zijn omgeven en zal uit de tweede helft van de 11e eeuw dateren. Deze zaaltoren werd mogelijk in de eerste helft van de 12e eeuw verwoest, waarna over de restanten een heuvel werd opgeworpen.
Deze enorme motte met een hoogte van ruim 9 meter had op de top een plateau van 27 x 33 meter. Dit plateau werd omgeven door een tufstenen ringmuur op grondbogen met een weergang met kantelen. Aan de oostzijde bevond zich aan de zijde van het binnenplein een kleine woontoren, waar de ringmuur aan weerszijden aansloot. De ingang tot het binnenplein bevond zich aan de noordzijde tussen twee licht uitspringende torentjes. In het midden van de 13e eeuw werd aan de noordzijde een nieuwe woonvleugel van 8 x 11 meter toegevoegd. Dit had tot gevolg dat de oorspronkelijke ingang van de burcht verplaatst werd naar de zuidzijde van de oostvleugel. De noordvleugel bestond uit een kelder, die overwelfd was met een tongewelf van baksteen, en twee woonlagen. Vervolgens werd er aan de noordoostzijde van de ringmuur een donjon van 7,5 x 4,5 meter opgetrokken, met muren van 1,5 meter dik. Gezien de afmetingen van de bakstenen is deze te dateren rond 1320.
Rond 1400 werd een nieuwe ingangstoren gebouwd, de nog resterende Maastoren. Deze toren is opgenomen in de zuidoostzijde van de ringmuur. In de zuidmuur van de toren is een vensternis met zitbank uitgespaard. Van hieruit had de poortwachter een goed zicht op de Maas. Na de bouw van de nieuwe ingangstoren werd de oostvleugel vergroot door de binnenmuren tussen de poortdoorgang en de oostvleugel te verwijderen. Daarna werd de gehele oostvleugel onderkelderd. Na de bouw van de Maastoren werd in de hoek tussen de noord- en de oostvleugel een toren opgetrokken van 4 x 4 meter. Waarschijnlijk heeft deze toren als traptoren gediend.
In de 16e eeuw werd de noordvleugel vergroot door het doortrekken van de zuidmuur naar de westzijde van de ringmuur en kwamen er in de noordwestelijke ronding ramen van ruim 3 meter hoog.
Na een brand aan het eind van de 16e eeuw werd het gebouw aan het begin van de 17e eeuw gedeeltelijk hersteld, waarbij waarschijnlijk de bebouwing aan de zuid- en westzijde van het binnenplein verrees, waardoor het kasteel de vorm kreeg van vier vleugels rond een binnenplaats. In het midden van de 17e eeuw ontstond aan de noordzijde van het kasteel de huidige neerhof of voorburcht. Dat gebeurde waarschijnlijk in opdracht van Willem Casper van Merwijck, die ook het kasteel beter liet ontsluiten door het aanbrengen van nieuwe toegangspoorten. Een poort aan de zijde van de kerk is gesierd met een steen uit 1651 met de wapens van Van Merwijck en zijn vrouw.
In 1944 werd het kasteel, dat zijn bijzonder strategische betekenis had behouden, door de Duitsers opgeblazen, waarna vervolgens een forse brand uitbrak. In 1946 en 1958 heeft men de burcht geconsolideerd waarbij behoud van de middeleeuwse delen voorop stond, ten koste van de 17e-eeuwse bouwfase. In 1977 is de neerhof gerestaureerd.
Literatuur
Renaud, J.G.N., ‘De Keverberg oftewel de burcht van Kessel’, in: Castellogica 1989-I,
Renaud, J.G.N., ‘Onderzoek van de ruïne op de burchtheuvel Kessel’, in: Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek in Nederland, 3 (1952) 1, p. 13-14
Mialaret, J.H.A., Noord-Limburg, deel V, De Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst, Den Haag 1937, p. 99-101.
Reyen, P.E. van, Middeleeuwse kastelen in Nederland (Bussum 1965).
Schulte, A.G., Ruïnes in Nederland (Zwolle 1997).
Flokstra, M., Kastelen in het land van Kessel (z.p. 1991).
HUIS TEN HOVE
Het direct uit de gracht oprijzende Huis ten Hove aan de westrand van het dorp Grathem droeg vroeger ook de naam Bormanshuis en Puytlinckshof. Het was in de 19e eeuw nog gelegen op de linkeroever van de Uffelsche beek. Deze is rechtgetrokken en stroomt nu veel zuidelijker. Het complex bestaat uit het kasteel en een ten noorden daarvan gelegen hoeve die de naam aan het complex zal hebben gegeven.
Eigendoms- en bewoningsgeschiedenis
De oudst bekende bezitter van 'den hoff 't Genhove' was Geurt van den Bongert omstreeks 1420. Ten Hove was een groot leen van de heren (na 1450 graven) van Horn(e), dat later bovendien deels leenroerig was aan het kasteel Ghoor. Via Bele van Kessel, echtgenote van de edelman Johan Borman van Baexem, kwam het goed in 1449 in die laatste familie terecht en werd sindsdien ook wel Bormanshuis genoemd. Tot in de tweede helft van de 17e eeuw is de familie Borman eigenaar gebleven. De laatste Borman op Ten Hove was Willem, die in 1679 stierf. Hij was gehuwd met Elisabeth van Puytlinck, dochter van een burgemeester van Maaseik. Vanwege hun kinderloosheid richtte hij zich tot de bisschop van Luik, als houder van de Hornse lenen sinds 1568, met het verzoek zijn goederen na te laten aan iemand van zijn eigen keuze. Aldus werd jonker Arnold Christoffel van Puytlinck, heer van Ter Biest, in 1680 de nieuwe eigenaar van het kasteel, dat men ook wel Puytlinckshof ging noemen. Hij was tevens stadhouder van de Hornse lenen
Na de dood van Christoffel van Puytlinck jr. in 1736 kreeg zijn vrouw het vruchtgebruik, maar ging het huis naar zijn achternichtje Maria Albertina barones van Aerdt tot Lottum. Zij was getrouwd met Peter Matthijs van Lom. Na haar dood erfden haar kinderen het huis. Dochter Maria Louisa Antonetta van Lom liet Ten Hove in 1792 na aan haar neef Jean Baptiste Louis Philippe baron de Bounam, vrijheer van Rijckholt. Zeven jaar later trouwde hij met Marie Anne Josepha baronesse De Floen d'Adlercrona. In 1822 werd de familie in de Nederlandse adelstand verheven. Tot in de jaren twintig van de 20e eeuw hebben leden van dit geslacht er regelmatig gewoond. Soms verhuurden ze het kasteel voor een aantal jaren. De laatste was Adèle barones de Bounam de Rijckholt, in 1899 getrouwd met Franciscus Josephus Antonius Vos de Wael, die later kantonrechter in Roermond werd. In 1922 verhuisden ze naar Oegstgeest en werd het kasteel verkocht.
Later vestigden zich op Ten Hove de Caritaszusters van de Heilige Joseph, die zich onder meer bezighielden met ziekenverzorging en onderwijs. Na in gebruik te zijn geweest bij de Rijkspolitie kwam het huis in 1958 in handen van verzekeringsmaatschappij Het Hooge Huys. Die liet het in 1963 restaureren. Doel was er een vakantieverblijf te maken voor kinderen van de werknemers van het bedrijf. Het huis wordt momenteel bewoond door de heer en mevrouw Meyerman. In de hoeve op de voorburcht zijn appartementen ondergebracht.
Bouwgeschiedenis
Onbetrouwbaar is de mededeling dat op de plaats van het kasteel een 'kasteel' zou hebben gestaan dat in 1210 was gebouwd, maar in 1340 door brand werd verwoest. Het is mogelijk dat in de 15e eeuw ten zuiden van de hoeve door de Bormans een versterkt huis is gebouwd, waarvan mogelijk resten in het huidige gebouw aanwezig zijn. Het huidige herenhuis bestaat uit twee haaks op elkaar staande tweelaagse vleugels; de westvleugel bezit een half verzonken, met tongewelven overkluisd souterrain, dat volgens sommigen uit de late Middeleeuwen zou dateren. Op basis van bouwsporen van speklagen en van met hardstenen blokken omgeven kruis- en kloostervensters is de oorspronkelijke stijl van het huis aan te duiden als Maaslands en is het huis te dateren op omstreeks 1600. De kap, die is opgebouwd uit spant met elk twee gestapelde eiken jukken uit 1581, lijkt dit te bevestigen. De verlenging van de westvleugel en het haaks daarop staande poortgebouw, waardoor een tweede
L-vorm ontstond, zou gezien de iets lagere nokhoogte en de eindgevel met in- en uitgezwenkte topgevel mogelijk uit het midden van de 17e eeuw kunnen dateren. De poort met gepleisterde hoekblokken lijkt dit te bevestigen. Het op de noordoosthoek van de binnenplaats gelegen bijgebouw met een tentdak, bekroond met een duiventil, zou in het eerste kwart van de 19e eeuw kunnen zijn toegevoegd.
In het begin van de 19e eeuw heeft Jean Baptiste Louis baron de Bounam het gebouw een gedaanteverwisseling laten ondergaan. De gevels werden gepleisterd en voorzien van een neoclassicistisch fries met consoles. Kruis- en kloostervensters werden gedicht of vervangen door empire ramen en deuren, gecombineerd met bovenlichten met natuurstenen omlijstingen. In vervolg daarop kreeg het pand een neoclassicistische interieurafwerking met stucplafonds en gestucte schouwboezems. De grote zaal werd voorzien van geschilderde behangsels met arcadische riviergezichten.
In 1963 is het gebouw gerestaureerd, waarbij het huis weer een gekanteelde muur kreeg. Ten noorden van het huis ligt een aan drie zijden door bebouwing omgeven voorhof, met aan de oostzijde een 18e-eeuws poortgebouw. Dit complex is recentelijk verbouwd tot appartementen.
Literatuur
Crassier, Louis baron de, Dictionnaire historique du Limbourg néerlan¬dais de la période féodale à nos jours, Maastricht, Van Aelst, opnieuw gepagineerde overdruk uit Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg 1930-1937, p. 125.
Forschelen, J., Een boekje open over Grathem en Kelpen Oler: kroniek van een gemeente, 1800 1991 (gemeente Grathem, Grathem 1990).
Heugten, L. van, Uit de geschiedenis van Grathem (Rabobank/Jong Nederland, Grathem 1982), p. 63.
Janssen de Limpens, K.J.Th., Leen- en laathoven in de Maaslandse territoria vóór 1795, (Werken uitgegeven door Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap, nr. 6, Maastricht 1974), p. 213 (nr. 1221).
Meyerman, D., 'De familie Bounam de Ryckholt en haar betrekkingen tot Grathem' in: J. Venner e.a., Ter kerke in Grathem (Grathem 1996), p. 119-133.
De Provincie Limburg (2 delen), Deel VII in Voorlopige Lijst der Nederlandsche Monumenten van Geschiedenis en Kunst, Den Haag, 1926, p. 94.
Verzijl, J., `Huize `ten Hove' te Grathem' in: Sibbe, 3 (1943), p. 275.
Verzijl, J.J.M.H., `Huize `ten Hove' te Grathem' in: De Limburgse Leeuw, 5 (1956/1957), p. 20.
Wintershoven, E. van, `Wapens en inschriften te Grathem, Thorn en Heel met aanteekeningen: (Grathem)' in: De Maasgouw, 31 (1909), p. 83.
COLOFON
Coördinatie excursie: Marianne van der Elsen, Ton Henrar, Rob Ubachs, Tuur Coppes, Cor Snoeijs
Teksten: Wim Hupperetz, Ben Olde Meierink, Ronald Rommes, ‘Kastelen in Limburg’, 2005
Uitgave ter gelegenheid van de kastelenexcursie 20 september 2008
terug
|