|
Reactie SLK op Visiedocument Modernisering Monumentenzorg Theo Oberndorff 15-01-09 In december heeft minister Plasterk zijn Visiedocument Modernisering Monumentenzorg gepresenteerd. Hij heeft betrokkenen de gelegenheid gegeven om hierover voor 23 januari 2009 te reageren. De reactie van de Stichting Limburgse Kastelen is op 15 januari 2009 verzonden (zie hieronder). Aan
De Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen, dr. R.H.A. Plasterk
p/a Directie Cultureel Erfgoed
dr. J.J. de Jong (IPC 3200)
Projectleider Modernisering Monumentenzorg
Postbus 16375
2500 BJ DEN HAAG
Roermond, 15 januari 2009
Betreft: Reactie Stichting Limburgse Kastelen op het Visiedocument Modernisering Monumentenzorg
Geachte heer Plasterk, geachte heer De Jong,
Onlangs mochten wij uw Visiedocument Modernisering Monumentenzorg ontvangen. De mogelijk om hierop te kunnen reageren tot 23 januari 2009 stellen wij zeer op prijs en gebruiken wij graag.
Wij hebben geprobeerd onze reactie te ordenen in relatie tot de 4 pijlers van het Visiedocument. Per pijler hebben wij een samenvatting geformuleerd.
Algemeen
Op hoofdlijnen kunnen wij de in het Visiedocument gemaakte analyses volgen en waarderen. Met het oog op de uitwerking van het Visiedocument willen wij echter ook graag enkele zaken onder uw aandacht brengen die naar ons oordeel voor aanpassing vatbaar zijn. Ook de stelligheid van een aantal uitspraken in uw Visiedocument is ons inziens aan relativering toe.
Pijler 1: cultuurhistorie belangrijk element in procedures ruimtelijke ordening.
Wij zijn wij te spreken over de keuze voor een gebieds- en ontwikkelingsgerichte monumentenzorg, met een vroegtijdige inbreng van cultuurhistorie in het ruimtelijk proces. De zorg voor de instandhouding van kastelen is weliswaar een ‘sectorale’ doelstelling, maar bij kastelen is de kwaliteit van het omringende cultuurlandschap van groot belang. In onze eigen beleid zetten wij sterk in op het in kaart brengen en waarderen van de zogenoemde ‘kasteeldomeinen’. Hierbij werken wij samen met het Limburgs Landschap, Bureau Taken Landschapsplanning, de provincie Limburg en de Universiteit Wageningen.
Wij denken echter dat een vroegtijdige betrokkenheid van cultuurhistorie bij ruimtelijke ontwikkelingen het objectgericht beschermingsinstrumentarium zeker niet overbodig maakt, zoals u in uw Visiedocument stelt. Het is ons inziens ook niet wenselijk er naar te streven om sectorale ingrepen in ruimtelijke processen overbodig te maken, ongeacht welk maatschappelijk belang daartoe ook de aanleiding geeft. Een bepaalde waarde, zoals een cultuurhistorische waarde, kan in omstandigheden van zodanige importantie zijn dat deze een sturende ingreep in een ruimtelijk proces rechtvaardigt. Naast een integrale erfgoedperceptie moet daarom ook een sectorale erfgoedperceptie blijven voortbestaan, die de objectmatige bescherming van cultureel erfgoed mogelijk maakt en cultuurhistorische waarden bij integrale afwegingsprocessen kan inbrengen.
De vernieuwing van bestemmingsplannen vergt een reeks van jaren. Het snel verdwijnen van sectoraal instrumentarium bij de gebouwde monumentenzorg kan leiden tot een tussenperiode, waarin het gewenste nieuwe integrale ruimtelijke beleid nog geen doorwerking heeft en het sectorale instrumentarium niet meer bruikbaar is. Dit kan gebouwd erfgoed tijdelijk ‘vogelvrij’ maken.
Samengevat:
- wij stemmen in met de keuze voor een gebieds- en ontwikkelingsgerichte monumentenzorg;
- wij zijn het niet eens met de opvatting dat de vroegtijdige betrokkenheid van cultuurhistorie bij ruimtelijke
ontwikkelingen het bestaan van sectorale beschermingsinstrumenten overbodig maakt;
- wij vinden dat de (gedeeltelijke) afbouw van sectoraal instrumentarium moet aansluiten op de opbouw van
integraal instrumentarium.
Pijler 2: vermindering regeldruk
Het beëindigen van het gebruik van het instrument beschermd stads- en dorpsgezicht betreuren wij. Immers, het rechtsgevolg van dit instrument is de wettelijke verplichting voor de betreffende gemeente om op een redelijke termijn tot een beschermend bestemmingsplan te komen. Dat wordt met een gebiedsgerichte monumentenzorg ook beoogd. Dus waarom dit instrument niet laten bestaan?
In vergelijking met de archeologische monumentenzorg ontstaat door deze gewenste afschaffing een beleidsmatige inconsequentie ten opzichte van het wettelijk instrument van de archeologische attentiegebieden, waarmee wel richtinggevend kan worden geïntervenieerd in een gemeentelijk bestemmingsplan. Dit onderscheid tussen archeologische en gebouwde monumentenzorg geeft geen indruk van een integrale erfgoedbenadering. Deze indruk wordt nog versterkt door het feit dat u voor archeologische rijksmonumenten de vergunningverlening volledig zelf blijft afdoen, hetgeen bij gebouwde monumenten allang niet meer het geval is.
Een andere stelling luidt dat de juridische eigenaar weinig te zeggen heeft over wijzigingen van het monument en de experts bepalend zijn voor het handelen van overheden in het stelsel van monumentenzorg. In de praktijk is het de gemeentelijke overheid die, gehoord een aantal adviezen, beslist over een vergunning tot wijziging van een gebouwd rijksmonument. De praktijkervaring leert dat in dat kader door gemeenten zeer goed wordt geluisterd naar de inbreng van de juridische eigenaar. Gemeenten die een monumentenvergunning verlenen in afwijking van de ontvangen adviezen van rijk en provincie stuiten ook vrijwel nooit op een door rijksoverheid of provincie ingediend bezwaarschrift.
Verder is in het kader van de evaluatie van het functioneren van monumentencommissies geconstateerd dat de hier veronderstelde expertise in algemeenheid ontoereikend is. En juist deze commissies hebben een belangrijke inbreng in de besluitvorming van de gemeentelijke overheid. Het is in dit licht dan ook verwonderlijk om in de nieuwe wetgeving inzake de beperking van de ministeriële adviesplicht enerzijds een strikte regulering van de samenstelling en deskundigheid van gemeentelijke monumentencommissies te zien en om anderzijds in het Visiedocument te lezen dat gemeenten vrij moeten zijn deskundigheid buiten het gemeentelijke adviesapparaat te kunnen vinden.
De provinciale adviesplicht buiten de bebouwde kom wordt in het wetsvoorstel ter inperking van de adviesbevoegdheid veranderd in een provinciaal adviesrecht. Er tekent zich een situatie af waarin provincies op een onderling sterk afwijkende manier met dit adviesrecht zullen omgaan en de status van rijksmonument daardoor heel andere consequenties kan hebben voor een monumenteigenaar in Groningen dan voor een monumenteigenaar in Zeeland. Dit zou ons inziens uniform gereguleerd moeten worden.
Samengevat:
- wij zijn het niet eens met het afschaffen van het instrument beschermde stads- en dorpsgezichten;
- wij signaleren een inhoudelijk niet verklaarbaar verschil van handelen tussen de instelling van het wettelijk
instrument van de archeologische attentiegebieden en de voorgenomen afschaffing van de beschermde stads- en
dorpsgezichten;
- wij merken op dat er geen sprake is van een vergelijkbare integrale beleidsmatige benadering van enerzijds de
gebouwde monumentenzorg en anderzijds de archeologische monumentenzorg;
- uw stelling dat de inbreng van experts bepalend is voor het handelen van overheden in het stelsel van
monumentenzorg is dringend aan nuancering toe en staat op gespannen voet met de recente wetgeving inzake
onder meer de kwalitatieve samenstelling van de gemeentelijke adviescommissies;
- wij zijn van mening dat de invulling van het provinciale adviesrecht uniform gereguleerd moet worden.
Pijler 3: efficiënter beheer en financiering van de bestaande voorraad
De gewenste grotere betrokkenheid van burgers en particulier initiatief bij de monumentenzorg is positief, maar zal ten aanzien van het beschermingsbeleid praktisch gezien zeer beperkt zijn. Dat is jammer. Hoewel het voornemen tot het afschaffen van de beschermingsgrens van 50 jaar wordt uitgesproken, wordt anderzijds het beschermingsbeleid sterk ingeperkt tot vanuit de rijksoverheid geregisseerde selectieprogramma’s van bescheiden omvang. Bescherming van bouwkunst ouder dan 1940 is niet meer mogelijk. Inspraak van burgers en particulier initiatief moet zich derhalve binnen deze strakke, beperkte rijkskaders bewegen. Bij de selectie van de top 100-monumenten van de wederopbouw is zelfs deze inbreng niet aan de orde geweest. Omdat ook de artikel 3 Monumentenwet 1988 procedure wordt ingeperkt bestaat er praktisch geen sectorale wettelijke mogelijkheid tot beïnvloeding van bestuursbesluiten door belanghebbenden meer.
De teneur van de passage uit uw Visiedocument over de omvang van het monumentenbestand staat ons inziens nog te sterk onder de invloed van de probleemgerelateerde financiële insteek in het advies van de Raad voor Cultuur met de titel ‘het tekort van het teveel’. Dat is jammer. U constateert immers zelf terecht dat elke overheidsinvestering in gebouwd cultureel erfgoed een renderende economische investering is (geweest).
Restauratieachterstanden ontstaan niet uitsluitend door een groeiend aantal monumenten of door een gebrek aan onderhoud of restauratie. Ook een BRIM-regeling die bij de verdeling van incidentele middelen voor restauratieachterstanden niet leidt tot een inzet waar die op geobjectiveerde gronden het hardst nodig is, is daar mede debet aan. Het afschaffen van een behoefteramingsinstrument zoals voorheen gebruikelijk in de BRRM heeft geleid tot willekeurige verdelingssystematiek en niet tot een probleemoplossende beleidsuitvoering. Bovendien vragen wij u dringend de rechtsongelijkheid die binnen de BRIM bestaat tussen oude monumentenregistraties (één BRIM-plan met een gemaximeerd subsidie voor het gehele gebouwencomplex met één monumentnummer) en nieuwe registraties (elk complexonderdeel heeft een monumentnummer en daarmee ook de mogelijkheid een BRIM-aanvraag in te dienen) zo spoedig mogelijk te beëindigen.
Zo is ook de lijst van beschermde rijksmonumenten uit de periode 1850-1940 geen resultaat van 19e eeuws denken over erfgoed en collecties, maar het resultaat van een zeer uitvoerig proces van afweging met een inbreng voor alle betrokken belangen. Uitgevoerd en gerealiseerd vanuit de lagere overheden, in directe afstemming met eigenaren én experts én zonder toepassing van het instrument van wettelijke voorbescherming. Dit is helaas een tijdelijke praktijk geweest. De recente aanwijzing van de top 100 van wederopbouwmonumenten stond zoals gezegd weer in het teken van voornoemd negentiende-eeuws denken.
Een dynamisch monumentenbestand vanuit een andere dan een probleemstellende insteek juichen wij toe. Onderzoekingen van de erfgoedinspectie over de uitvoeringspraktijk in de middelgrote monumentengemeenten hebben immers uitgewezen dat in het decentrale monumentenbestel sedert 1988 op legale wijze veel historische bouwmassa verloren is gegaan. Er is dus ook aanleiding kritisch naar het ongewijzigd gebleven monumentenregister te kijken. Monumentenzorg is echter primair gericht op instandhouding, herbestemming en rendabel gebruik van historische bouwmassa. De bevindingen van de erfgoedinspectie pleiten ons inziens dan ook voor een betere toepassing van het objectgerichte monumentenbeleid in het kader van de vergunningverlening en voor een richtinggevende opstelling van de rijksoverheid inzake de omgang met rijksbeschermde bouwwerken. De inperking van het aantal ingrepen waarvoor een monumentenvergunning vereist is of een gemeentelijke verklaring van geen bezwaar volstaat, zou hierop haaks kunnen staan of zelfs de inperking van het monumentenbestand indirect stimuleren.
De voornemens voor een toereikende structurele financiering voor restauratie en instandhouding waarderen wij zeer. Dat kan ons inziens niet uitsluitend worden gerealiseerd door de inperking van het monumentenbestand. De toegankelijkheid van het BRIM voor groene monumenten is een logisch gevolg van integraal, gebiedsgericht erfgoedbeleid. Het opstellen van een plankostenregeling kan de huidige drempels voor het opstellen van een BRIM-plan hopelijk verlagen. Het overwegen van een Revolving Fund voor anderen dan woonhuiseigenaren snijdt naar ons oordeel alleen hout voor eigenaren die een feitelijke mogelijkheid tot fiscale aftrek hebben. Bij veel eigenaren van beschermde boerderijen met een agrarische bestemming bestaat deze mogelijkheid formeel wel, maar feitelijk vaak niet.
Samengevat:
- een dynamisch monumentenbestand is een goede en logische zaak;
- het beleid ter beheersing van het monumentenbestand is zodanig stringent, dat de inhoudelijke betrokkenheid van
particuliere organisaties bij het beschermingsbeleid in de praktijk zeer beperkt zal zijn;
- de omvang van het monumentenbestand wordt nog teveel vanuit een probleemstelling benaderd, hoewel ook het
inzicht aanwezig is dat instandhouding van monumenten ‘economisch rendabel is’;
- de BRIM-regeling zelf heeft bijgedragen aan het ontstaan van restauratieachterstanden. Een nieuw
behoefteramingsinstrument is noodzakelijk, de ongelijke behandeling van enkelvoudig beschermde
monumentcomplexen en complexen met meerdere monumentnummers moet beëindigd worden;
- de stelling dat de lijst van beschermde rijksmonumenten uit de periode 1850-1940 het resultaat is van 19e eeuws
denken over erfgoed en collecties is feitelijk onjuist. Deze stelling gaat ons inziens wel weer op voor de wijze
waarop de top 100 van beschermde wederopbouwmonumenten recent tot stand is gekomen;
- de verbetering van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de decentrale monumentenpraktijk heeft wellicht
een hogere prioriteit nodig dan de inperking van het sectorale beschermingsinstrumentarium;
- wij waarderen de voornemens voor een structurele financiering voor restauratie en instandhouding, alsmede voor
een verruimde toegankelijkheid van het BRIM.
Pijler 4: bevorderen van herbestemming en ontwikkeling
Het aangekondigde beleid om herbestemming en ontwikkeling van grote, waardevolle, maar leegstaande bouwvolumes te bevorderen is, in combinatie met nieuwe subsidie- en financieringsvormen alsmede gemeentelijke beschermingsinstrumenten, absoluut noodzakelijk.
Wij zijn benieuwd naar uw reactie.
Met vriendelijke groet,
Namens de Stichting Limburgse Kastelen
drs. G.M.K. Kockelkorn, voorzitter
Weblink: http://www.minocw.nl/documenten/Visie%20Modernisering%20Monumentenzorg.pdf terug
|